dutchlearning

Zijn (to be) - Present tense

  • zijn: to be
  • ik ben: I am
  • je bent: you are (informal, unstressed)
  • jij bent: you are (informal, stressed)
  • u bent: you are (formal plural or singular)
  • hij is: he is
  • ze is: she is (unstressed)
  • zij is: she is (stressed)
  • het is: it is
  • we zijn: we are (unstressed)
  • wij zijn: we are (stressed)
  • jullie zijn: you are (plural, informal)
  • ze zijn: they are (unstressed)
  • zij zijn: they are (stressed)